De besprekingen in het kader van de kabinetsformatie zijn voor enige weken stilgelegd, maar toch zijn er in de afgelopen weken verschillende stukken gepubliceerd die relevant zijn voor de toekomst van het pensioenstelsel. Het gaat dan in het bijzonder om de afschaffing van de doorsneesystematiek. Het CPB deed een herrekening van de compensatielast naar buiten komen, de Raad van State adviseerde over de juridische implicaties van afschaffing – met name als het gaat om gelijke behandeling -, en het AG ging in op de kenmerken van het fiscale kader na afschaffing.

In 2013 raamde het CPB de compensatielast op 100 miljard. Dit onder de veronderstelling dat elke deelnemer na afschaffing van de doorsneesystematiek hetzelfde pensioenvooruitzicht zou moeten behouden, en dat iedereen die zou profiteren van de afnemende prijs van pensioenopbouw (door het CPB becijferd op 8% voor een jongere die begint pensioen op te bouwen) dat voordeel volledig zou moeten genieten. In de publicatie van juni van dit jaar zijn de grondslagen en de methodiek van de berekening enigszins gewijzigd, maar belangrijker is dat het CPB nu veronderstelt dat de voordelen die het gevolg zijn van afschaffing van de doorsneesystematiek, voor zover het de deelnemers betreft die voor compensatie in aanmerking komen, worden aangewend voor de compensatie. Daardoor wordt de compensatielast nu 55 miljard. Het AG, dat zelf eerder al van die veronderstelling uitging, licht op de website de verschillen toe. Nog steeds hanteert het CPB wel de veronderstelling dat een achteruitgang in pensioenvooruitzicht volledig zou moeten worden gecompenseerd.

In een nieuwe publicatie die voornamelijk ingaat op het fiscale kader na afschaffing van de doorsneesystematiek bevraagt het AG die vanzelfsprekendheid, evenals in de eerdere notitie Doorsneesystematiek – veranderen of behouden?. Eerdere wijzigingen in het fiscaal kader, zoals de achtereenvolgende beperkingen van het Witteveenkader, zijn te beschouwen als gedeeltelijke afschaffingen van de doorsneesystematiek. In die gevallen is nooit sprake geweest van compensatie daarvan. Het AG stelt in de nieuwe notitie dat een nieuw fiscaal kader, na afschaffing van de doorsneesystematiek, geformuleerd zou moeten zijn in termen van een maximale premiehoogte, uitgedrukt als percentage van de premiegrondslag. In uitkeringsovereenkomsten zou dat tot uiting komen in een op regelingsniveau (jaarlijks?) vast te stellen degressieve opbouwstaffel. Een belangrijke implicatie voor pensioenfondsen zou erin gelegen kunnen zijn dat herstelpremies en bijstortingen in een dergelijk fiscaal kader niet goed passen. Een andere implicatie is dat pensioenfondsen die nu een prudente financieringsmethodiek hanteren na aanpassing van het fiscaal stelsel wellicht geconfronteerd worden met fiscale bovenmatigheid, en zo gedwongen zouden kunnen worden tot minder prudente financiering of een minder hoge opbouw.

Naast een fiscaal kader voor reguliere opbouw zou er na afschaffing van de doorsneesystematiek sprake moeten zijn van een apart (dan wel daarmee geïntegreerd) fiscaal kader voor compensatieruimte. In de perspectiefnota zegde de overheid toe te zullen participeren in de compensatielast door compensatie onder de omkeerregel mogelijk te maken. Het lijkt ons zeer van belang de rol van fondsbestuur en sociale partners in de compensatie- en transitievraagstukken nadrukkelijk te onderscheiden. Compensatie lijkt ons daarbij een verantwoordelijkheid van sociale partners. In ons recente werkgeversonderzoek inzake de toekomst van het pensioenstelsel gaan wij daar op in.

Duidelijk is dat afschaffing van de doorsneesystematiek complexer is in uitkeringsovereenkomsten dan in premieovereenkomsten. Daar komt bij dat in de uitkeringsovereenkomst vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de gelijke behandeling op het moment dat de opbouwpercentages leeftijdsafhankelijk worden. De Raad van State ging in een advies dat op 14 juli werd gepubliceerd onder meer op die vraag in. Op hoofdlijnen komt de conclusie van de Raad van State erop neer dat vormgeving van een uitkeringsovereenkomst (of premieovereenkomst) zonder doorsneesystematiek niet hoeft te betekenen dat er sprake is van leeftijdsdiscriminatie, maar dat een finaal oordeel daarover pas mogelijk is op het moment dat de samenhang met het nieuwe pensioenstelsel duidelijk is. Ook concludeert de Raad van State dat een regeling waarin de solidariteit vanwege de doorsneesystematiek wordt weggenomen nog voldoende solidariteitskenmerken in zich kan dragen om handhaving van de verplichtstelling te rechtvaardigen.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Wichert Hoekert.