De staatssecretaris heeft op 24 november 2017 een nieuw Besluit gepubliceerd. Dit Besluit dient tot actualisering van het oude Besluit van 6 november 2015, mede in het kader van de op 1 januari 2017 ingegane Wet uitfasering pensioen eigen beheer en overige pensioenmaatregelen (hierna: Wet uitfasering PEB).

Hieronder benoemen wij een aantal wijzigingen ten opzichte van het oude Besluit.

Vervallen 100% norm

Met de invoering van de Wet uitfasering PEB is de 100%-toets komen te vervallen. Dit betekende dat voor zowel uitkeringsovereenkomsten en premieovereenkomsten de 100%-norm niet meer van toepassing is. Bepalingen in het Besluit die waren toegesneden op deze toets zijn komen te vervallen. Denk hierbij aan de toets in het kader van niet regelmatig genoten loon en de toets bij wisselende parttimepercentages. Met het vervallen van de toets is hiermee sprake van een aanzienlijke vereenvoudiging voor de pensioenuitvoerder.

Overigens wijzen wij erop dat de bij premieovereenkomsten de 100% toets alleen is komen te vervallen indien sprake is van een toepassing van een staffel op basis van 4% rekenrente. Dit betekent dat te allen tijde een pensioenuitkering dient te worden aangekocht waarbij dus nooit meer sprake kan en mag zijn van afkoop van een surpluskapitaal door middel van een uitkering ineens.

Bij de toepassing van een 3%- dan wel kostprijsstaffel dient nog steeds onverkort toepassing te worden gegeven aan de voor dit regime geformuleerde voorwaarden. Dit betekent dat altijd moet worden getoetst aan de salaris/diensttijd normering (eindloon of middelloon) indien sprake is van een omstandigheid dat een toets wordt voorgeschreven. Deze voorwaarde was en is namelijk expliciet opgenomen in het (nieuwe) Besluit beschikbare premieregelingen van 23 november 2017. Een simpele toets aan de hand van de 100%-norm is dus niet toegestaan.

Collectieve aanwijzing bij verschuiving pensioenrichtleeftijd

In het kader van de verschuiving van de fiscale pensioenrichtleeftijd naar 68 jaar bestaan er, zoals bekend, mogelijkheden om de huidige pensioenrichtleeftijd te handhaven. Dit kan bijvoorbeeld door het in aanleg te hoge opbouwpercentage ten opzichte van het fiscale opbouwpercentage (1,738%, 67 jaar) te rechtvaardigen door onbenutte fiscale ruimte op andere elementen binnen de pensioenregeling.

Toepassing geven aan een dergelijke pensioenregeling maakt deze regeling aanwijzingsplichtig door het Ministerie van Financiën. Het Ministerie moet de regeling dan individueel aanwijzen als fiscaal zuivere pensioenregeling.

Een voor de praktijk (en ook voor het Ministerie) zeer welkome wijziging van de procedure tot aanwijzing is nu in het Besluit opgenomen in de vorm van een collectieve aanwijzing. Een aanwijzing door het Ministerie is niet benodigd indien;

  • de pensioenregeling een hogere franchise toepast dan de vereiste fiscaal minimale franchise waarmee het hogere opbouwpercentage dan fiscaal toegestaan wordt gerechtvaardigd; of
  • de pensioenregeling past een lagere pensioengrondslag toe dan fiscaal mogelijk is. Feitelijk betekent dit dat loonbestanddelen die niet pensioengevend zijn binnen de regeling, maar dat wel hadden kunnen zijn, voldoende compensatie moeten bieden om het hogere opbouwpercentage te rechtvaardigen.

Indien voldaan wordt aan bovenstaande voorwaarden is op basis van de collectieve aanwijzing in het Besluit sprake van een zuivere pensioenregeling. Wij wijzen erop dat bovenstaande opsomming limitatief is. Bij andere omstandigheden die in aanmerking kunnen komen voor een aanwijzing zullen nog steeds met het Ministerie van Financiën moeten worden afgestemd.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Eric Heemskerk.