Towers Watson Media

Eind vorig jaar namen de Tweede en de Eerste Kamer het wetsvoorstel Waardeoverdracht klein pensioen aan. Kort gezegd komt die wet er op neer dat pensioenuitvoerders vanaf 1 januari 2019 het recht krijgen om kleine pensioenaanspraken (onder de afkoopgrens van € 474) automatisch over te dragen naar de nieuwe uitvoerder van een deelnemer. Verder regelt de wet dat hele kleine pensioenen (kunnen) komen te vervallen.

Onderstaand de 5 meest relevante vragen die een pensioenfonds moet beantwoorden als het bepaalt hoe om te gaan met deze nieuwe wet.

1. Waar gaat het om?

Over hoeveel deelnemers en hun aanspraken hebben we het eigenlijk? Dat is de logische eerste vraag die elk pensioenfonds zich moet stellen.

Om een indruk te krijgen van de omvang van de kleine pensioenaanspraken binnen de Nederlandse pensioensector, deed het CBS in 2016 onderzoek bij zeven pensioenfondsen. Al deze fondsen zijn actief in sectoren met werknemers die bovengemiddeld vaak pensioen opbouwen via verschillende korte (en vaak parttime) dienstverbanden. Wat bleek: drie op de vier deelnemers binnen deze fondsen zijn slapers. En van die slapers heeft bijna 85% een pensioen onder de afkoopgrens. Voor alle pensioenfondsen in Nederland samen schat het CBS dat er 4,5 miljoen van zulke kleine pensioenen zijn. En daar komen er elk jaar 275.000 bij. Dat is ongeveer het aantal mensen in Eindhoven op een drukke dag. Met carnaval bijvoorbeeld.

Nu is het ene fonds het andere niet. Het is dan ook belangrijk om na te gaan wat de stand van zaken is voor uw eigen pensioenfonds.

2. Wat levert het op?

Een pensioenfonds heeft het recht om een kleine aanspraak automatisch over te gaan dragen. Het is niet verplicht. Een kosten-batenanalyse kan uitwijzen of het een goed idee is.

Anders dan de reguliere individuele waardeoverdracht komt een automatische waardeoverdracht zonder tussenkomst van de deelnemer tot stand. Dat maakt het proces aanzienlijk efficiënter. Het overdragende pensioenfonds krijgt via het pensioenregister - dat krijgt er dus een taak bij - door bij welke uitvoerder de gewezen deelnemer op dit moment actief pensioen opbouwt, waarna het vervolgtraject gestart kan worden. Uitvoerders zijn verplicht mee te werken aan alle inkomende waardeoverdrachten via dit systeem. Bovendien geldt bij een automatische waardeoverdracht niet dat een eventuele onderdekking bij het ontvangende pensioenfonds een showstopper is. De overdracht gaat altijd door.

Het implementeren van het systeem voor automatische waardeoverdrachten brengt vanzelfsprekend kosten met zich mee. Daar staat tegenover dat de aanspraken mogelijk tientallen jaren minder lang in de administratie bijgehouden hoeven te worden en dat de kosten rond afkoop vervallen. Er valt dan ook decennialang een maandelijkse kostenpost weg, met een lagere kostenvoorziening als gevolg.

Hoe groot dit effect is, is afhankelijk van de aanwezige aanspraken binnen een fonds en de huidige kostenstructuur. Ieder fonds zal dan ook voor zichzelf in overdrachtelijke zin de balans op moeten maken.

3. Zijn er ook neveneffecten?

In ieder geval één. Naast de verwachte lagere kostenvoorziening ligt er namelijk ook een dekkingsgraadeffect besloten in het systeem van automatische waardeoverdrachten. De berekening van de overdrachtswaarde vindt namelijk plaats op grond van dezelfde spelregels als bij de reguliere individuele waardeoverdracht. Dit betekent dat de dekkingsgraad géén rol speelt bij de vaststelling van de over te dragen waarde. Ter illustratie, bij een overdracht vanuit een fonds met een dekkingsgraad van 120% naar een fonds in onderdekking ontstaat er een winst voor de overdragende partij.

Voor de deelnemer zelf betekent dit in feite een waardevermindering van zijn pensioenaanspraak door het verlies aan indexatiepotentieel en het te verwachten lagere pensioenresultaat in de toekomst.

4. Wordt het doel bereikt?

Het grote idee achter de wet is dat kleine pensioenen gebundeld worden tot een pensioen van een materiële omvang en dat het op die manier zijn oorspronkelijke bestemming behoudt. Een tussentijds afkoopbedrag is misschien een welkome meevaller, maar zal niet opwegen tegen de waarde van een mogelijk geïndexeerd levenlang pensioen.

De bundeling van kleine aanspraken kan vooral veel meerwaarde hebben voor werknemers met flexibele contracten, een lage parttimegraad en/of een aaneenschakeling van korte dienstverbanden.

Omdat verwacht mag worden dat de overall administratiekosten op termijn zullen afnemen als gevolg van automatische waardeoverdrachten, profiteren alle deelnemers hiervan indirect mee.

5. Wat, niet eens een hele kleine belangenafweging?

Zoals gezegd, is een onderdeel van de wet het recht om hele kleine pensioenen (bij beëindiging van deelneming) te laten vervallen. Heel klein is hier gedefinieerd als maximaal 2 euro pensioen.

Bruto.

Per jaar.

Nieuwe hele kleine aanspraken vanaf 1 januari 2019 komen op grond van de wet sowieso te vervallen. Voor al bestaande hele kleine aanspraken geldt dat niet. Pensioenfondsen kunnen ervoor kiezen ook deze te schrappen, maar dat kan alleen na een evenwichtige belangenafweging.

Dat lijkt op zich maar een heel klein issue. Want hoewel de kosten voor het administreren van een premievrij recht niet hoog zijn, gaat het tot de pensioendatum al snel over tientallen euro’s per deelnemer. Ook als de aanspraak heel klein is. Als het recht uiteindelijk wordt afgekocht nemen de kosten nog aanzienlijk toe. En dat is helemaal het geval als echt tot uitkering moet worden overgegaan. In verhouding tot de waarde van de pensioenaanspraak is daarmee al snel sprake van onevenredig hoge kosten.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Heino de Geus.

Dit artikel is ook te downloaden als PDF.